vrijdag 28 maart 2014

Liturgische aanwijzingen

In Ceremonial According to the Roman Rite (Giuseppe Baldeschi, John Duncan Hilarius Dale) lees ik de volgende handige aanwijzing voor de clerus tijdens het bijwonen van de Mis, die ook vandaag de dag nog wel waarde heeft (en in dat geval niet alleen voor de geestelijken die de Mis in choro bijwonen, maar ook voor de celebrant):

"The clergy should comport themselves in choir with silence, modesty, and self-possession; abstaining from everything that would indicate frivolity or irreverence, such as reading letters, talking, giving snuff to each other, gazing about, sitting cross-legged, lolling in their seats, and other acts of this nature. According to the Holy Council of Trent, every ecclesiastic should exhibit a grave and religious deportment even in the public streets and squares: - 'Nil, nisi grave, moderatum, ac religione plenum, prae se ferant.' How edifying then should be his demeanour at choir, whilst engaged in the actual service of the Most High!"

Vertaling:
"The clerus moet zich in het priesterkoor stil, gepast en met zelfbeheersing gedragen, en zich onthouden van alles wat kan duiden op frivoliteit of oneerbiedigheid, zoals het lezen van brieven, praten, het geven van snuiftabak aan elkaar, in de rondte loeren, met de benen gekruist zitten, op hun stoel lummelen, en andere handelingen van soortgelijke aard. Volgens het Heilig Concilie van Trente moet elke geestelijke een ernstige en religieuze houding tonen, zelfs op openbare straten en pleinen: - 'Nil, nisi grave, moderatum, ac religione plenum, prae se ferant.' Hoe voorbeeldig moet zijn gedrag dan wel niet zijn op het priesterkoor, wanneer hij betrokken is bij de dienst aan de Allerhoogste!"

Het is bijna lachwekkend dat hier melding van moet worden gemaakt! Van wat ernstigere aard is het volgende. In veel "liturgisch correcte" kringen meent men, dat het koor reeds tijdens het binnenkomen van de priester de introitus moet beginnen te zingen. Uh oh! Dat mag niet: daarom krijgt de ceremoniemeester van Baldeschi de volgende instructie mee: "He will inform the singers not to commence the Introit of the Mass until the Celebrant has arrived at the Altar: according to a decree of the Sacred Congregation of Rites, April 14, 1753." vert.: "Hij zal de zangers ervan op de hoogte brengen, dat zij niet mogen beginnen met de Introitus van de Mis, totdat de celebrant bij het altaar is aangekomen, overeenkomstig het decreet van de Heilige Congregatie voor de Riten, 14 april 1753." Overigens moet de ceremoniemeester wel meer instructies geven aan het koor; zo moet hij hen er aan herinneren dat ze bij het Asperges me na het Gloria Patri de hele antifoon herhalen en niet alleen de twee woorden "Asperges me". Ook krijgt hij het advies het zangkoor te vragen het Graduale en de Tractus wat op te rekken op doordeweekse dagen van de Vasten, omdat dan het orgel niet mag spelen om de stilte op te vullen (Baldeschi schreef zijn boek ver voor 1962, en voor 1962 moest de priester eerst zelf het Evangelie in stilte lezen - logisch, want hij is de celebrant - voordat de diaken het plechtig gaat zingen).

zondag 16 maart 2014

Biechtoefeningen

Deze biechtoefeningen komen uit het dagmissaal van Brepols uit 1956.

Biechtoefening I

Vóór de Biecht

Gebed van de zondaar
Confessionals - Beichtstühle - Gesu Nuovo - Neapel - Naples
Gestorven ben ik, God, voor uw genade. Mijn ziel werd nacht; uw vijand sloeg mij neer. Ik voel de nederlaag, die mij ontsteld heeft in mijn wezen en geschokt, omdat ik U verloor, die mij geschapen hebt. Een eeuwig graf gaapt naar mijn leven en zwelgt het in, als Gij mij niet weerhoudt. Dan zal ik nooit uw liefde kennen, nooit uw Leven, hoe zalig het een ziel omspant, die biddend naar U zoekt. Bevrijd mij, Heer, en houd de vijand tegen en sla hem neer, die mij mijn leven rooft. Veroordeel niet, maar dwing mij door uw oordeel om U alleen te dienen en te volgen op uw weg.

Psalm 142
Gebed van de rouwmoedige zondaar (H. Joannes Chrysostomus).

Red mij, Heer, in mijn verdrukking!
Heer, luister naar mijn bede, hoor mijn smeken om uw trouw, verhoor mij toch om uw gerechtigheid!
Daag uw dienstknecht niet voor het gericht, want niemand, die leeft, is rechtvaardig voor U.
Zie, de vijand vervolgt mij: hij wierp mij neer op de grond, heeft mij geplaatst in het duister als hen, die reeds lang zijn gestorven.
Mijn geest bezwijkt in mij, ontsteld was mijn hart in mijn boezem.
Ik gedenk de aloude dagen, over al uw daden denk ik na, ik overweeg de werken van uw handen.
Ik strek mijn handen naar U uit; als dorre aarde dorst mijn ziel naar U.

Bevrijd mij, Heer, van de vijand!
Heer, verhoor mij spoedig, want mijn geest bezwijkt.
Wil uw aanschijn voor mij niet verbergen, opdat ik niet worde als zij, die nederdalen in het graf.
Laat mij spoedig uw goedheid ontwaren, daar ik vertrouw op U.
Toon mij de weg, die ik moet gaan, daar ik mijn ziel verhef tot U.
Verlos mij van mijn vijanden, Heer: op U stel ik mijn hoop.
Leer mij uw Wil volbrengen, want Gij zijt mijn God.
Goed is uw geest, hij geleide mij op effen grond.
Om uw Naam, o Heer, behoud mij in het leven; om uw goedertierenheid red mij uit de nood.
Verdelg in uw goedheid mijn vijanden, en richt allen, die mij kwellen, te gronde, want ik ben uw dienstknecht.

Gewetensonderzoek (onderaan deze blogpost).


Na de Biecht

De Goddelijke tuinman
Een nieuwe onschuld en een nieuwe jeugd zijn mij gegeven. Uit de verdrukking hebt Gij, o God, mijn ziel gered. Nu loof ik uw Naam en zegen uw wijsheid. De boom van uw liefde, geplant in de tuin van mijn ziel, een boom des levens, Heer, waaraan ik plukken mocht de vruchten van steun en kracht in de levensstrijd, scheen te bloeien, maar bloeide als gras en verging, ontworteld door uw vijand. Uw genade was dood in mij, mijn ziel kon niet leven voor U, zij was een gebroken bloem. Maar uit de dood kunt Gij nieuw leven wekken, Herwekker van uw eigen dood. Het zaad wordt rijp in de dode kroon der bloemen. Zo was mijn zonde zaad tot uw genade, Heer. Gij wekt daaruit berouw en liefde, die het leven aan een gestorven ziel hergeven door uw licht. Geplant is weer mijn leven in uw aarde en bloeien mag ik in uw hoven, Heer, tot in mijn ouderdom en vruchten bieden van goede werken als teken van rouwmoedigheid en als een hulde van mijn dankbaarheid.

Psalm 91
De bekering van een ziel verheerlijkt de barmhartige Voorzienigheid van God.

Ik wil U loven, o Heer
Heerlijk is het de Heer te loven, uw Naam te bezingen, o Allerhoogste;
Vroeg in de morgen uw erbarming te verkondigen, en uw trouw gedurende de nacht,
Op de tiensnarige harp en de lier, met zang bij citerspel.
Want door uw daden, Heer, verheugt Gij mij, ik juich om het werk uwer handen.

De boze miskent uw Voorzienigheid en vergaat
Hoe luisterrijk, Heer, zijn uw werken, hoe diepzinnig zijn uw gedachten!
De onverstandige beseft het niet, en de dwaze ziet het niet in.
Al bloeien de goddelozen als gras, al schitteren allen, die kwaad bedrijven,
Ten eeuwigen ondergang zijn zij gedoemd; maar Gij, o Heer, zijt eeuwig verheven.
Want zie, uw vijanden, Heer, uw vijanden zullen vergaan; alle bozen zullen worden verstrooid.
Als de hoorn van een buffel hebt Gij mijn hoorn verheven, mij gezalfd met de zuiverste olie.
Mijn oog zal op mijn vijanden neer, en over de bozen, die tegen mij opstonden, vernamen mijn oren verblijdende dingen.

Maar de vrome bloeit als een palmboom
De rechtvaardige zal als een palmboom bloeien, als een ceder van de Libanon gedijen.
Die staan geplant in het huis des Heren, zullen bloeien in de voorhoven van onze God.
Tot in hun ouderdom dragen zij vrucht, blijven zij sappig en fris:
Om te verkondigen hoe rechtvaardig de Heer is, mijn Rots, en dat in Hem geen onrecht is.
Interieur, biechtstoel - 's-Hertogenbosch - 20349390 - RCE


Biechtoefening II

Vóór de Biecht

De weg naar de hemel
God, de gedachten der mensen gaan niet naar U uit. Ook ik speur in mijn ziel zo weinig hemelverlangen. Ik zoek naar een goed en behaaglijk bestaan. Mijn werk, mijn geld, mijn gezin en mijn kind, mijn huis en hof en vriendelijke uitgangsdagen vullen mijn leven, zijn de cirkelgang van mijn gedachten. Hoe weinig zoek ik naar U en de hemelse dingen. God, wees de onzichtbare Magneet van mijn ziel. Ik zie, hoe de zorg mijn opgang naar U hindert. Moet dit zo zijn? Wilt Gij, dat deze hindernis mijn weg verspert, die naar uw hemel leidt? Is uit de plicht, hoe alledaags en stoffelijk ook, dan niet het goud te delven, dat kronen levert en eeuwig sieraad zijn kan van een ziel? God, hier zijn mijn handen en hier mijn rechtschapenheid; zegen ze beide om te werken voor U, aan uw eeuwig-voorbestemd plan, dat al het menselijke verheft tot het bovenmenselijke. Gij, God, hebt bepaald, dat ik, mens uit klei, uit klei en stof mijn aardse woning op moet bouwen en door mijn zuivere wil juist hierdoor tegelijk mijn hemels huis optrekken zal, het paleis van mijn eeuwig geluk.

Psalm 14
Vereisten om in de hemel te komen (HH. Basilius en Hiëronymus).

Heer, wie mag in uw tent verblijven, wie wonen op uw heilige berg?
Die vlekkeloos wandelt en deugdzaam leeft, en in zijn hart wat goed is denkt, en niet lastert met zijn tong;
Die zijn evenmens geen kwaad berokkent, en zijn nabuur geen smaad aandoet;
Die de boze voor verachtelijk houdt, maar eert die vrezen de Heer;
Die aan een schadelijke eed niet tornt, zijn geld niet uitleent met woeker, en onschuldigen ten koste geen steekpenning aanvaardt.
Wie zo handelt, zal niet wankelen in eeuwigheid.

Gewetensonderzoek (onderaan deze blogpost).


Na de biecht

De eindoverwinning
God, Gij richt mijn leven naar de verre einder en opent voor mijn ziel een horizont. Ik schouw uw macht, die mij naar U zal leiden; uw hand, die wonderbaar-zacht en krachtig mij omvat. Ik zag mijn leven eerst als een voorbij-jagende wolk; Gij hebt mijn bestaan met een eeuwigheid verlengd. Het inzicht: voor uw hemel en niet voor aardse zorg te leven, verbreedt mijn inzicht onmetelijk en verdiept het peilloos ver. Waarlijk, Gij hebt mij overladen met zegen en genade. Gij wilt mij koning zien in het rijk van mijn ziel om eens met U te heersen in het Vaderland, waar Gij zetelt als de Koning-God der koningen. 'k Zal koning zijn en overwinnaar, ongeslagen strijder! Mijn overwinningslied op dood en zonde, Heer, heeft van uw kruis dit sterk geluid vernomen en is de weergalm van uw strijdbaar zegelied. Uw dood zal nu mijn leven worden; uw Bloed de overwinningsprijs, die Gij betaald hebt, vóórdat ik als uw strijder dit leven vol bekoringen ben ingegaan. Voltooi uw zege en mogen uw handen een banier boven op de Calvarieberg van mijn leven planten. Uw aangezicht slaat met de vonken van uw toorn mijn vijand neer, die niets op U vermag. Laat mij dan naast en in U wonen. Beveilig mijn bestaan in uw schaduw, God. Ik zing van U en van uw legervanen. Gij zijt mijn Hoop, mijn Kracht en mijn toekomstig lot.

Psalm 20
Zegepraal van Christus over de duivel en de wereld (Meerdere HH. Vaders).

Dank, Heer, voor de overwinning!
Over uw macht, o Heer, verheugt zich de koning, hoe uitbundig jubelt hij over uw hulp!
Zijn hartewens hebt Gij verhoord, en de bede zijner lippen niet afgewezen. Ja, Gij hebt hem voorkomen met rijke zegen, een kroon van zuiver goud hem op het hoofd gedrukt.
Leven vroeg hij U; Gij hebt hem gegeven lengte van dagen voor immer.
Groot is zijn roem, dank aan uw hulp; met majesteit en luister hebt Gij hem getooid, 
Ja, Gij hebt hem voor eeuwig overladen met zegening, hem met vreugde overstelpt voor uw aanschijn.
Want de koning vertrouwt op de Heer, en door de gunst des Allerhoogsten zal hij niet wankelen.

Sla de vijand neer, o God!
Moge uw hand al uw vijanden treffen, uw rechter aangrijpen al die U haten.
Maak ze tot een gloeiende oven, wanneer Gij uw aanschijn zult tonen.
Dat de Heer hen in zijn toorn vertere, en het vuur hen verslinde.
Verdelg hun kroost op aarde, en hun zaad onder de kinderen der mensen.
Als zij u kwaad willen doen, listige plannen beramen, zullen zij niets vermogen;
Want Gij zult ze doen vluchten, uw boog op hun aangezicht richten.
Rijs op, o Heer, in uw kracht!
Wij zullen uw macht bezingen en prijzen.


Gewetensonderzoek

Biechtstoel - Ewijk - 20398539 - RCEHet gewetensonderzoek moet ernstig geschieden, maar zonder angst en gejaagdheid.
Vraag u eerst af: Wanneer is mijn laatste biecht geweest? Was die biecht goed? Als ge toen een doodzonde vergeten hebt, dan was die biecht goed, maar die vergeten doodzonde moet ge in deze biecht belijden. Als ge uit valse schaamte een doodzonde willens en wetens verzwegen hebt, of bewust een kleiner getal hebt opgegeven van de doodzonen, die ge hebt begaan, dan moet ge thans alle doodzonden biechten vanaf de laatste goede biecht.
Onderzoek hierna uw geweten. Blijf alleen stilstaan bij dingen, waaraan ge u bij een ernstige terugblik duidelijk schuldig erkent. Als het gaat over punten, waarvan ge weet of vermoedt, dat het zware zonden zijn, moet ge u ook afvragen, hoe dikwijls ge dat gedaan hebt. Dat getal moet ge ook biechten. Weet ge het niet precies, zeg dan hoe dikwijls ongeveer, of hoe dikwijls per week of per maand dat voorkwam.

De Tien Geboden van God en de Vijf Geboden van de H. Kerk.

Eerste gebod: Ik ben de Heer, uw God. Gij zult geen afgoden vereren, maar Mij alleen aanbidden en boven alles beminnen.
Heb ik boeken, geschriften of bladen gelezen, die gevaar opleveren voor mijn geloof en katholieke levensopvatting en die daarom door de Kerk verboden zijn? Hetzelfde geldt voor radio-uitzendingen, vergaderingen, gezelschappen. Heb ik mij in gedachten, woorden of daden verzet tegen de uitspraken en richtlijnen van de kerkelijke overheid, van Paus of Bisschoppen? Ben ik lid van een door de kerkelijke overheid verboden vereniging of beweging?

Tweede gebod: Gij zult de naam van de Heer, uw God, niet zonder eerbied gebruiken.
Heb ik door grote vloeken het eeuwig verderf over mezelf of anderen afgeroepen? Als dit menens zou zijn, was het een zware zonde. Stoot men in een drift zulke vloeken uit, zonder het te menen, dan is dat wel geen zware zonde, maar het blijft toch ten zeerste in strijd met de eerbied, aan Gods heilige naam verschuldigd.

Derde gebod en de vijf geboden van de H. Kerk: Wees gedacht, dat gij de dag des Heren heiligt.
Heb ik op zondag en verplichte feestdagen zonder geldige noodzaak de H. Mis verzuimd? Ben ik door eigen schuld te laat gekomen? Heb ik op zondagen zonder geldige noodzaak slafelijke arbeid verricht? Als men de zondagen zo goed als geheel in vermaak, vooral lichtzinnig en losbandig vermaak, doorbrengt, misdoet men wel niet tegen de zondagswet-plichten maar men doet heel zeker te kort aan de heiliging van de dag des Heren. Heb ik meermaals mijn morgen- en avondgebed en het bidden voor en na de maaltijd achterwege gelaten uit traagheid, onverschilligheid of valse schaamte? Heb ik zonder passende eerbied of vrijwillig verstrooid de H. Mis bijgewoond of mijn gebeden verricht?

Vierde gebod: Eer uw vader en uw moeder.
Ben ik ongehoorzaam of opstandig geweest jegens mijn ouders, of anderen, die hun plaat innemen? In de gewone huiselijke dingen? op ernstige punten (te laat thuis komen, omgang met personen, die gevaarlijk voor me zijn, alléén uitgaan, te vroege kennis of verkering, gemengde verkering?)
Ben ik egoïstisch, lastig en twistziek in het huiselijk leven? Heb ik misschien gedurende aanmerkelijke tijd niet willen spreken en omgaan met een van mijn huisgenoten?

Vijfde gebod: Gij zult niet doodslaan.
Heb ik mij schuldig gemaakt aan onmatigheid en dronkenschap? Heb ik mijn evenmens naar de ziel geschaad door hem ergernis te geven tot onrechtvaardigheid, onkuisheid of onzedigheid, misverzuim, dronkenschap, kwaadspreken, enz? Vervul ik mijn christelijke liefdeplicht door naar vermogen te geven aan de armen en de goede werken ten bate van de noodlijdenden, van de Kerk en van de Missie?

Zesde en negende gebod: Gij zult geen onkuisheid doen. Gij zult geen onkuisheid begeren.
Heb ik alleen of met een ander zonde van onkuisheid begaan? Ben ik mij vrijwillig blijven verlustigen in onkuise gedachten en voorstellingen? Heb ik vrijwillig onkuise begeerten gekoesterd? Heb ik met wellust over onkuise dingen gesproken; zedelose boeken of tijdschriften gelezen, verkeerde platen beschouwd, lichtzinnige toneel- of bioscoopvoorstellingen bijgewoond, slechte liederen gezongen?

Zevende en tiende gebod: Gij zult niet stelen. Gij zult niet onrechtvaardig begeren, wat uw naaste toebehoort.
Heb ik de evenmens bestolen, zijn geld of goed verduisterd, of het hem onrechtvaardig afgeperst? Heb ik door knoeierij, arglistige trucs, of op welke wijze ook, bedrog gepleegd bij koop, verkoop of levering, bij aanneming van werk of uitvoering daarvan, of bij welke andere rechtshandeling ook? Heb ik het onrecht hersteld?

Achtste gebod: Gij zult tegen uw naste niet vals getuigen.
Heb ik gelogen? Daardoor wellicht de evenmens geschaad? Heb ik door kwaadspreken, lasteren of lichtvaardig veroordelen de evenmens in zijn eer en goede naam geraakt? Heb ik mijn naaste in zijn eer geraakt door hem in zijn tegenwoordigheid te beledigen, te beschimpen of te bespotten? Heb ik geheimen geschonden, die ik bewaren moest? Heb ik de liefde gekwetst door vrijwillige haat, afkeer of afgunst jegens de naaste te koesteren? Heb ik dat ook geuit door liefdeloos of driftig optreden, door bitse woorden en nijdig verwijten, of door een minachtende of hooghartige behandeling?

vrijdag 14 maart 2014

Kruisweg

Een overweging/gebed geschreven door Pax--Tecum, deels gebaseerd op de H. Schrift en de H. Liturgie.

Vooraf.
Mijn Jezus, ontferm U over mij! Ik, een arme zondaar, wil uw Heilig Lijden overwegen, dat Gij om mijn zonden hebt moeten ondergaan. Vergeef mij mijn zonden, want ze zijn talrijk. Waar anders zou ik dan mijn redding moeten zoeken, dan aan de voet van het Kruis? Laat uw Lijden mijn troost zijn!
Als een argeloos lam zijt Gij voor de slachting weggevoerd; Judas verried U met een kus, en Gij hebt U niet verzet. De ouderlingen van het volk beraadslaagden om U met list gevangen te nemen en te doden; met zwaarden en knuppels trokken zij uit als tegen een rover, en Gij hebt U niet verzet. Jezus, vergeef mij, want ik ben geen haar beter dan hen. Door listen heb ik mij aan uw goedheid en uw almacht proberen te onttrekken; mijn zonden hebben zich voor uw aanschijn opgestapeld, omdat ik dacht dat Gij het niet zoudt zien. "Bidt, opdat gij niet ingaat op de bekoring", (Mat. 26, 41) hebt Gij gezegd; en wat heb ik gedaan? Ik heb niet gebeden, en ben rechtstreeks op de bekoring ingegaan. Wees mij toch genadig!

"Mijn volk, wat heb Ik u gedaan? 
of waarin heb Ik u bedroefd? 
Antwoord Mij." 
(Improperia)

I. Jezus wordt ter dood veroordeeld.
Saint-Brice-en-Coglès (35) Église Chemin de Croix 01

Pilatus veroordeelt U tot de dood aan het Kruis. De wreedste straf moet Gij ondergaan, en waarom? Gij hebt niets misdaan. Het is om mijn zonden, dat Gij deze lijdensweg moet gaan. Pilatus wast zijn handen, in een poging zich van zijn schuldenlast te ontdoen; ondertussen schreeuwen de ongelovige joden: "Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!" (Mat. 27, 25) Jezus, laat uw Bloed over ons nederdalen, niet als een eeuwige veroordeling, zoals die voor de joden is, maar als een reinigend bad van vergiffenis: Gij hebt ons met uw kostbaar Bloed vrijgekocht. "Was mij en ik zal witter zijn dan sneeuw" (Ps. 50, 3), reinig mij van al mijn zonden en slechtheid; vervul mij van genade en goedheid.

"In een wolkkolom ben Ik voor u uitgegaan; 
en gij hebt Mij gebracht naar het rechthuis van Pilatus. 
Met manna heb Ik u in de woestijn gevoed; 
en gij hebt Mij met vuisten en geselriemen geslagen.
(Improperia)

II. Jezus neemt het Kruis op.
Saint-Brice-en-Coglès (35) Église Chemin de Croix 02
Een zware last hebt Gij te torsen, een zware zondelast hebt Gij te dragen, Gij, die geheel zonder zonden zijt. O Jezus, wat heb ik U aangedaan! De weg naar Golgotha is lang en zwaar; het splinterige hout schuurt over uw rug; Gij hebt veel voor mij moeten lijden. Na de slagen van de geselroede volgt nu het ruwe Kruishout. Gij hebt het allemaal op U genomen, de zondelast van geheel uw volk, en de bijbehorende straf, die Gij nu vrijwillig voor ons behoud ondergaat. Leer mij ook mijn kruis te aanvaarden! Zou al het goede, dat Gij mij in dit aardse leven reeds geeft, voor mij niet genoeg moeten zijn, om óók de zware kanten van het leven geduldig te dragen? En wat voor schat wacht mij hierna nog? Des te meer wil ik dus mijn lijden geduldig dragen. Help mij, Heer, om dat te doen!

"Omdat Ik u bevrijd heb uit het land van Egypte, 
daarom hebt gij voor uw Verlosser een kruis gereed gemaakt. 
[...] 
Omdat Ik u veertig jaar lang door de woestijn heb geleid 
en u met manna heb gevoed 
en u in een heerlijk land heb gebracht, 
daarom hebt gij voor uw Verlosser een kruis gereed gemaakt."
(Improperia)

III. Jezus valt onder het Kruis.
Saint-Brice-en-Coglès (35) Église Chemin de Croix 03
Zoals ik val onder mijn zonden, zo valt Gij, nu Gij mijn zondenlast draagt. Gij staat weer op; help ook mij dan overeind, wanneer ik voor de verlokkingen van de duivel gevallen ben. Schenk mij uw vergiffenis en uw genade; laat uw liefde mij helpen om steeds het goede te doen. Delg in mij alle kwade neigingen. Hoe vaak twijfel ik wel niet aan uw Godheid? Heer, vermeerder mijn geloof!

"Hagios, o Theos.
Heilige God.
Eleison imas.
Ontferm U over ons.
(Improperia)

IV. Jezus ontmoet Maria.
Saint-Brice-en-Coglès (35) Église Chemin de Croix 04
Uw heilige Moeder is nooit ver van uw zijde geweken. En nu, in het zwaarste uur van uw leven, ook nu staat zij U bij. Gij hebt haar uitverkoren, reeds vóór de schepping der wereld, en nu? Nu wordt het hart van deze Moeder-van-Smarten met zeven zwaarden doorstoken. Zoals Gij aan het Kruis haar aan Johannes hebt toevertrouwd, zo wil ik haar nu troosten. Zoals Gij aan het Kruis Johannes aan haar hebt toevertrouwd, zo wil ik U nu vragen: stel uw heilige Moeder als beschermvrouwe over mij aan.

"Maagd der Maagden uitverkoren,
wil mijn bede toch verhoren
dat ik met u wenen mag.

U terzijde mij mag wijden,
diep ontroerd aan Christus' lijden,
aan zijn dood met diep ontzag.
(Stabat Mater)

V. Simon van Cyrene helpt het Kruis dragen.
Saint-Brice-en-Coglès (35) Église Chemin de Croix 05
Mijn God! Terecht zijt Gij vertoornd op mij. Wanneer Gij tot mij sprak, heb ik niet geluisterd. Wanneer Gij mij lijden zond, heb ik het niet willen aanvaarden. Simon van Cyrene neemt uw Kruis gewillig op zich. Ik heb uw rechtvaardige straffen verdiend, kon ook ik maar helpen uw Kruis te dragen! Ik weet, dat ik U niet kan behagen; ontelbare zonden heb ik begaan en niets, dat uw Lijden zou kunnen verlichten.

"Aleph. Ik ben de man die ellende heeft gezien 
door de roede van zijn verbolgenheid.
Aleph. Hij heeft mij gedreven 
en doen gaan in duisternis en donkerte.
Aleph. Alleen tegen mij richt Hij zijn hand, 
telkens opnieuw, de ganse dag.
Beth. Hij heeft mijn huid en vlees doen verdorren, 
mijn beenderen gebroken.
Beth. Overal heeft Hij rondom mij 
gal en lijden opgehoopt.
Beth. Hij heeft mij in de duisternis doen wonen 
als de doden uit vroeger dagen.
Ghimel. Hij heeft mij met muren omringd, 
opdat ik niet zou ontkomen; 
Hij heeft mijn ketenen verzwaard.
Ghimel. Zelfs als ik riep en om hulp smeekte, 
bleef Hij doof voor mijn gebed.
Ghimel. Hij versperde mijn weg met rotsblokken 
en maakte mijn paden onbruikbaar.

Jeruzalem, Jeruzalem, bekeer u tot de Heer uw God.
(De lamentatione Jeremiae Prophetae 3, 1-9)

VI. De doek van Veronica.
Saint-Brice-en-Coglès (35) Église Chemin de Croix 06
Na de troost die Simon van Cyrene U geboden heeft, heeft Veronica U ook nog willen troosten, mijn goede Jezus. Ze heeft uw aangezicht gedroogd met een doek. Een kleine, eenvoudige handeling, waarmee zij haar liefde en medelijden tot U ten uitdrukking bracht, maar wat een groots gebaar! En Gij hebt die eenvoudige uitdrukking van liefde beloond door op die doek een afdruk van uw gelaat achter te laten. Leer mij tevreden te zijn met het kleine, opdat ook ik, zoals Veronica, een des te grotere schat mag verwerven. Zij liet zich niet afschrikken door uw bebloede aangezicht; zij liet zich niet afschrikken door de scheldende, tierende en vloekende Romeinse soldaten. Wat een lafaard ben ik toch, wanneer ik mij van U afwend, of wanneer ik mij schaam voor U en uw Kerk!

"In waarheid, ons lijden heeft Hij gedragen 
en onze smarten heeft Hij op zich genomen. 
En wij, wij hielden Hem voor een melaatse, 
als een door God geslagene en vernederde. 

Hij echter werd gewond om onze ongerechtigheden, 
Hij werd verbrijzeld om onze misdaden. 
Hij werd getuchtigd om onze vrede
 en door zij striemen werden wij genezen.
(Is. 53, 4-5)

VII. Jezus valt voor de tweede maal.
Saint-Brice-en-Coglès (35) Église Chemin de Croix 07
Voor de tweede maal valt Gij nu onder de zondelast, die Gij op uw schouders genomen hebt. Ik ben mij er ten diepste van bewust, dat ik vaak meer dan éénmaal val onder dezelfde zonde. Gij vergeeft mij steeds, en toch doe ik het weer. Wat heb ik U toch bedroefd! En ditmaal is er niemand om U te troosten. Hoe vaak twijfel ik wel niet aan uw almacht? Heer, toon mij uw kracht, en verhoor mijn gebeden; vertrap de vijanden van uw Kerk, en richt onze zielen op uit de puinhoop, die wij er zelf van gemaakt hebben.

"Hagios, o Theos.
Heilige God.
Hagios Ischyros.
Heilige Sterke.
Eleison imas.
Ontferm U over ons."
(Improperia)

VIII. Jezus en de wenende vrouwen van Jeruzalem.
Saint-Brice-en-Coglès (35) Église Chemin de Croix 08
Jezus, Gij wordt beweend door de vrouwen van Jeruzalem. Met hen wil ik huilen om wat U wordt aangedaan. Laat tranen van berouw over mijn wangen vloeien; laat mijn versteende hart tot diepe gevoelens van spijt bewogen worden. 
Op deze aarde zijn zoveel mensen die oprecht moeten huilen; er is zoveel verdriet dat niet met mensenwoorden en mensenhanden getroost kan worden. Geef hen allen de troost van het enige, ware geloof, en de hoop op het eeuwige leven. Wis Gij dan hun tranen af; want zonder U gaat een mens ten onder.

"Wie met tranen zaaien, 
zullen in vreugde maaien. 

Wenende gaan zij voort 
en strooien het zaad. 

Maar jubelend zullen zij terugkomen, 
beladen met hun schoven.
(Ps. 125, 5-7)

IX. Jezus valt voor de derde maal.
Saint-Brice-en-Coglès (35) Église Chemin de Croix 09
Ah! Voor de derde maal drukt het Kruis u neder. Om ons en onze zonden moet Gij in het stof bijten. Er is op uw lichaam nu geen plaats meer, die zonder schrammen is, en Gij hebt al veel Bloed moeten vergieten, terwijl we nog niet eens op Calvarië zijn aangekomen. De weg is lang, en steeds weer val ik onder mijn zonden en laat daardoor ook U vallen onder de last, die eigenlijk de mijne is, maar die Gij in uw barmhartigheid op U genomen hebt. Hoe vaak heb ik wel niet getwijfeld aan het eeuwig leven? Maar nu weet ik zeker dat ik eeuwig zal leven, en het zal zijn: eeuwige beloning of eeuwige straf.

"Hagios, o Theos.
Heilige God.
Hagios Ischyros.
Heilige Sterke.
Hagios Athanatos, eleison imas.
Heilige Onsterfelijke, ontferm U over ons."
(Improperia)

X. Jezus wordt ontkleed en met gal gelaafd.
Saint-Brice-en-Coglès (35) Église Chemin de Croix 10
Toen Gij geboren werd, o goede Jezus, wikkelde uw Moeder U meteen in doeken. Nu wordt Gij door het Romeins gespuis van uw klederen ontdaan; blootgesteld aan de boze blikken van het volk en de Hogepriesters zult Gij aan het Kruis worden genageld. Toen hebben de soldaten over uw kleed gedobbeld, omdat zij het jammer vonden, het te moeten verscheuren. Heer Jezus, zorg toch dat de Kerk niet verscheurd rake, maar geef haar eenheid, en sta ook niet toe dat er scheuringen optreden in onze familie.
Dan werd Gij gelaafd met gal. Wat een bitter Lijden moet Gij toch ondergaan om mijnentwil! De wijngaard, die Gij in mijn ziel geplant hebt, heeft zure vruchten voortgebracht. Wil mij toch een nieuwe kans schenken om het goede te doen en goede vruchten voort te brengen!

"Wat had Ik nog voor u moeten doen en heb Ik niet gedaan? 
Als mijn kostbaarste wijnstok heb Ik u geplant; 
en gij zijt Mij uiterst bitter geworden, 
want met azijn hebt gij mijn dorst gelaafd 
en met een lans hebt gij de zijde van uw Verlosser doorstoken. 
[...]
 Met reddend water uit de rots heb Ik u gelaafd; 
en gij hebt Mij gal en azijn te drinken gegeven.
(Improperia)

XI. Jezus wordt gekruisigd.
Saint-Brice-en-Coglès (35) Église Chemin de Croix 11
Op volmaakte wijze verenigt Gij Uzelf nu met het hout van het Kruis; Gij wordt er immers aan vastgenageld. "O zoet kruishout, zoete spijkers, dat die zoete last eens droeg." Het was het hout van de appelboom in het aards Paradijs waar de duivel de eerste mensen verleidde en ten val bracht; het is het hout van het Kruis, waardoor wij weer worden opgericht uit de eeuwige dood. Waarlijk zoet is het kruishout, waaraan onze Verlossing gewrocht is! Het Kruis is uw altaar, Calvarië uw heiligdom. Het ultieme offer zal zich hier zodadelijk gaan voltrekken. Mijn Jezus, wat een onnoemelijke pijn moet Gij toen geleden hebben. En ze hebben U daar bespot: de Hogepriesters en het joodse volk. "Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen." Vergeef ook, zo vraag ik U, de zonden van onze moderne, maatschappij; want velen kennen U en uw geboden niet en weten derhalve niet, wat zij doen.

"Door de boom zijn wij slaven geworden 
en door het heilig Kruis zijn wij verlost; 
de vrucht van de boom heeft ons verleid; 
de Zoon van God heeft ons bevrijd.
(Ant. Feria VI in Parasceve)

XII. Jezus sterft aan het Kruis.
Saint-Brice-en-Coglès (35) Église Chemin de Croix 12
Mijn God! Bij zo'n heilig Sterven kan ik niet anders dan stil worden en in stilte de woorden van het Evangelie overwegen:

"Het was nu omstreeks het zesde uur; 
en duisternis kwam er over heel die streek tot aan het negende uur. 
En de zon verduisterde; 
en het voorhangsel van de tempel scheurde doormidden. 
En Jezus riep met luide stem: 
Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. 
En met deze woorden gaf Hij de geest.
(Passio Domini nostri Jesu Christi secundum Lucam)

XIII. Jezus wordt van het Kruis genomen.
Saint-Brice-en-Coglès (35) Église Chemin de Croix 13
Het offer is volbracht. Jezus, de eerste der Priesters, verlaat nu het altaar van het Kruis. Zijn Moeder ontvangt Hem in haar tedere armen. Een laatste kus drukt zij op uw voorhoofd. Wat heeft zij toch tot het einde toe haar lot goed gedragen! Ik kan niet anders dan me voorstellen dat ze, nu ze uw lichaam op haar schoot heeft liggen, hartverscheurend moet wenen. Een Moeder, die haar Zoon verliest; wat een intens lijden wordt er toegevoegd aan het Lijden dat haar Zoon heeft moeten dragen! Maria, wees onze voorspreekster, en bid voor ons én onze dierbaren. Bid ook voor degenen, die een dierbare moeten missen; want gij weet wat dat is, iemand moeten missen.

"Zie, hoe de rechtvaardige sterft 
en niemand gaat het ter harte; 
en de rechtvaardigen verdwijnen 
en niemand ziet er naar om. 
De rechtvaardige is nu aan de ongerechtigheid onttrokken 
en zijn aandenken blijft in vrede achter. 
Als een lam voor zijn scheerder bleef Hij zwijgen 
en Hij deed zijn mond niet open; 
uit verdrukking en veroordeling werd Hij weggenomen. 
En zijn aandenken blijft in vrede achter."
(Resp. Sabbato Sancto)

XIV. Jezus wordt begraven.
Saint-Brice-en-Coglès (35) Église Chemin de Croix 14
Uiteindelijk gunt men U rust, o goede Jezus. Rust zacht! Een korte tijd slechts zult Gij echter kunnen rusten; want op de derde dag zult Gij verrijzen. Ik weet dat Gij leeft! O Jezus, dat ook ik uit mijn zondendood mag verrijzen!

"Weest gij niet bevreesd; 
want ik weet, dat gij Jezus zoekt, die gekruisigd is; 
Hij is niet meer hier; 
want Hij is verrezen, 
zoals Hij gezegd heeft. 

Komt en ziet de plaats, 
waar men de Heer had neergelegd. 

Gaat nu ijlings heen 
en zegt aan zijn leerlingen: 
'Hij is verrezen, ziet, 
Hij gaat weer voor u uit naar Galilea; 
daar zult gij Hem zien.' 

Ziet, ik heb het u gezegd.
(Evang. in Vig. Pasch.)

zondag 2 maart 2014

Gebed gevraagd

Ik ben er net via-via achtergekomen dat een oude bekende van het Rorate-forum van zijn geloof gevallen is en de Kerk wil verlaten. Ik had dit niet achter hem gezocht en ben er nogal van geschrokken. Omdat ik zijn privacy wil respecteren (op Rorate was hij - i.t.t. Suscipe Domine - onder zijn echte naam actief) zal ik deze persoon niet bij naam noemen. Onderstaande afbeelding zal voor degenen die hem nog kennen van Rorate herkenbaar zijn als zijnde zijn toenmalige profielafbeelding. U weet dan hopelijk voor wie het gebed gevraagd is.

Blijkbaar is de "Katholieke" universiteit van Leuven geen gunstige omgeving voor gelovigen; het klimaat daar is ja eerder schadelijk voor je geloof dan dat het er positief aan bijdraagt. Ik ben daar al meermaals voor gewaarschuwd, maar heb dat altijd afgedaan als zijnde vooroordelen over academici; maar nu blijkt dat daar mogelijk toch een kern van waarheid in zit.

Er zijn heel veel gelovige en ongelovige mensen die een tegenstelling menen te mogen zien tussen geloof en wetenschap, terwijl ze elkaar juist aanvullen, of die het geloof met wetenschappelijke methoden willen kunnen doorgronden, en omgekeerd. Zo werkt het nu eenmaal niet. Ik heb helaas al meermaals moeten zien dat gelovige mensen, die daar niet mee om kunnen gaan, diep ongelukkig worden in een academische omgeving. Er zijn dan eigenlijk twee mogelijkheden: ze houden ofwel op met wetenschap te beoefenen, of ze houden op met geloven. De eerste mogelijkheid heb ik al eens gezien bij een studiegenoot. Daar kon ik nog mee leven. De tweede mogelijkheid, daar zijn we nu allen getuige van. Ik hoop dat ik zelf daar nooit aan ten prooi zal vallen; wat blijft er over als je gaat twijfelen aan alles wat je heel je leven hebt geloofd?

Gebed dus gevraagd: dat het gebroken geloof van een jongere hersteld moge worden. Om inzicht, om het goede te doen, en het kwade te laten. Om de genade van de Heilige Geest, waardoor deze persoon verstandige keuzes kan maken.

zaterdag 22 februari 2014

Voorvasten

De tijd van de Voorvasten, waarin de Kerk ons in de liturgie alvast laat wennen aan de komende Vastentijd, is nu al bijna een week onderweg. Afgelopen zondag was het Septuagesima, morgen is het Sexagesima en volgende week Quinquagesima. Deze namen zijn vooral van symbolische aard: "Septuagesima" betekent "zeventigste", d.w.z. zeventigste dag voor Pasen. En zo verder met "zestigste" en "vijftigste". Niet echt, natuurlijk; een week heeft maar zeven dagen. Maar de benaming is passend met betrekking tot de veertig dagen van de Vasten: we tellen langzaam af naar het Paasfeest. De Voorvasten is ouder dan Aswoensdag, dat pas later ontstond. De Misteksten van de Voorvasten dateren uit de 6e en 7e eeuw, toen het in Rome uiterst benarde tijden waren. De statiekerken van deze zondagen, d.w.z. de kerken, waar de Paus eertijds de Mis opdroeg, zijn de St.-Laurentius-buiten-de-muren, de St.-Paulus en de St.-Pieter: de grote beschermheiligen van Rome. Het Alleluja is tot zwijgen gebracht, in Mis en officie. In de Mis zingt men na het Graduale de Tractus i.p.v. het Alleluja. De Tractus is een psalmzang, die zijn naam ontleent aan het Latijnse "tractim", hetgeen vertaald kan worden als "slepend" of "langzaam", waarschijnlijk naar zijn lengte en de bijbehorende Gregoriaanse zang.
TeotitlanPedro (2)
Deze afbeelding leek me gepast, gezien het feit dat het in het Missaal van 1935 vandaag het feest van St.-Petrus-Stoel-te-Antiochië is, en in het Missaal van 1962 het feest van St.-Petrus-Stoel-te-Rome.

In de gewaden en het voorhang van altaar en tabernakel zien we de paarse kleur: de kleur van boete, berouw, inkeer. Het orgel wordt minder uitbundig bespeeld en wordt slechts nog gebruikt om de zang te begeleiden.

In de Novus Ordo viel de Voorvasten ten prooi aan de slopershamers van de hervormers. Volgens Bugnini zou het geen goede voorbereiding zijn op het Paasfeest (zijn de groene zondagen "door het jaar" dat dan wel?). Tenenkrommend is het, om als Traditionalist een Novus Ordo te moeten bijwonen tijdens de Voorvasten (niet dat de NOM normaal niet tenenkrommend is), en dat de priester na de antwoordpsalm vrolijk "Alleluja" zegt, terwijl je zelf het Alleluja al enige dagen geleden vaarwel hebt gezegd.

zaterdag 8 februari 2014

Katholieke literatuur

De bekende televisieserie uit de jaren '70 "Dagboek van een herdershond", was niet zomaar uit de lucht gegrepen, maar gebaseerd op de trilogie "Kroniek eener parochie" van Jacques Schreurs M.S.C. Het gaat over een parochie in Nederlands Limburg, die bestaat uit een paar notabelen en boeren. Dan besluit de staat er steenkool te gaan winnen, en er wordt een mijnindustrie opgezet. Daartoe moeten vele boeren worden onteigend. We krijgen te zien hoe velen niet met het geld kunnen omgaan, hoe de vernieuwingen een heel dorp in beroering brengen en hoe velen er aan ten onder gaan. We zien hoe koppigheid leidt tot verdriet.

Het verhaal geeft ons een mooi inzicht in het Roomse Limburg van weleer en biedt allerlei prachtige gezegden die tegenwoordig nauwelijks meer gebruikt worden. Prachtige lessen liggen er in verborgen: "Aan de vruchten kent men den boom! Wanneer God een parochie zegent, laat hij er roepingen wassen tot het volmaaktere leven; een parochie kan niet meer gestraft zijn dan door het gemis daaraan." (deel 2, p. 282).

Met gevoel voor decorum wordt er verhaald over de oude pastoor, die eens per jaar de brikkenbakkersbuurten van het dorp bezocht, in deel 3, p. 34-35:"Wanneer hij de aanwezigheid van pastoor Lumens in het keukentje in de smiezen krijgt, veert hij met een krachtterm, die hem daar zoo maar van verbazing uit den mond schijnt te vallen, recht om den pastoor met de pet in de hand te groeten. Hij bejegent hem als een witte raaf in Waterval sinds pastoor de Bonhomme, heuglijke gedachtenis, er eens per jaar verscheen als de sleedoornboschjes bloeiden, een feest voor het oog dat deze zich, zoolang als hij den herderstaf over de parochie gevoerd had, geen keer had laten ontgaan. Maar dat ging dan met allen luister gepaard, vertelt de postman die, wanneer hij eenmaal het woord heeft, dit niet zoo gauw uit den mond geeft. Dan was heel Waterval en de gansche Nachtegaal van groot tot klein op de been om den priester onder zijn witte parasol als Onzen Lieven Heer zelf in te halen. Bij Colaris gebruikte hij de koffie, bezocht overal de zieken als die er waren, zegende de kinderen, die er overal met bosjes waren en tegen den avond, als alle menschen hem weer uitgeleide deden, preekte hij om beurten nu eens bij den tatersteen en dan weer bij het lindenkruis om die van Waterval en die uit de Nachtegaal evenveel recht te geven en eer aan te doen.
Minstenstwintig keer achter elkaar had hij, omdat het vroeger geregeld op veldslagen tusschen de bewoners der beide buurtschappen uitliep en gewoonlijk om eenen tuiterluit, over de onderlinge verstandhouding gesproken en de twaalf laatste jaren zeker had hij zijn geliefde Watervallers en Nachtegalers telkens zoo'n hartroerend vaarwel en tot weerziens in den hemel toegeroepen, dat de tranen haast niet te stelpen waren geweest. Maar andere tijden andere zeden, gaat Peter Tobben verder en andere heeren andere wetten. Men moet hem anders geen kwaad spreken van die oude heeren pastoors, men moet ze in vrede laten rusten zooals zij in hun leven gewoon waren, het waren kleine goden waarnaar in ieder geval geluisterd werd en waarvoor soms gesidderd. Maar de menschen voeren er wel bij! Peter Tobben zou daar aardige staaltjes van weten te verhalen, onder anderen van een wiens stok meer wonderen gedaan heeft dan al de preeken der tegenwoordige pastoors te zamen. Wanneer ze op den preekstoel verschenen, waren dat gebeurtenissen, dan werden er spijkers met koppen geslagen, dan mocht je den kraag van je jas opzetten, want dan waaide het! Die heeren spraken met gezag."

De drie delen zijn online te lezen of zelfs te downloaden als e-book. Deel 1: De kraai op den kruisbalk. Deel 2: De mensch en zijn schaduw. Deel 3: De weg zijner zonen.

vrijdag 7 februari 2014

Exsultet jam Angelica turba caelorum

Is het al Pasen, zult u nu zeggen. Nee, het is pas 7 februari, het feest van de H. Romualdus, en afgelopen zondag was het de 4e zondag na Epiphanie. De reden dat deze blogpost gaat over de paasjubelzang, is het feit dat er op internet filmpjes te vinden zijn van boosaardige lui (vrijmetselaars, ketters, noem het maar op) die beweren dat de Kerk de duivel aanbidt. Hier is zo'n filmpje (trap er niet in!).

Ik zal nu dan een vertaling geven van het exsultet, en de omringende ceremonieën beschrijven voor de ritus van vóór 1956. Erg bijzonder is dat het exsultet het karakter heeft van een diakonale zegen (een zegen die door de diaken verricht wordt) en dat de handelingen en de tekst sterk met elkaar verweven zijn. Dit bijzondere karakter verdwijnt in de nieuwere ritus en het exsultet is weinig meer dan een theaterstukje, dat zijn kracht verloren heeft.

Nadat de diaken driemaal het "Lumen Christi" heeft gezongen, en er telkens één van de drie kaarsen op de rietstok is aangestoken, gaat de priester aan de epistelzijde aan het altaar staan, en geeft de diaken de rietstok met de kaarsen aan een acoliet. De diaken ontvangt het boek, en vraagt aan de celebrant de zegen, zoals voor het Evangelie van de Mis, zeggende:
"Geef mij, heer, uw zegen."
De celebrant antwoordt:
"De Heer zij in uw hart en op uw lippen, opdat gij op waardige en passende wijze de lofzang van zijn paasfeest moogt verkondigen: in de naam van de Vader en de Zoon + en de Heilige Geest.
Amen."
Daarna gaat hij naar de lezenaar, plaatst daarop het boek, en bewierookt het. Ter rechterzijde van de diaken staan de subdiaken met het kruis, en de thuriferarius; ter linkerzijde staan twee acolieten, hij die de rietstok draagt, en een andere, die een schaal met vijf gezegende wierookkorrels draagt. Dan staan alle aanwezigen op zoals bij het Evangelie, en de diaken zingt:
"Dat de engelenschaar in de hemel nu juiche; dat de goddelijke geheimen nu jubelen en de heilbazuin voor de zegepraal van deze grote Koning weerblinke. En dat de aarde zich verblijde, nu zij door zulke schittering wordt overstraald, en geheel de wereld moge gevoelen dat de duisternis van haar is weggenomen, nu zij door de luister van de eeuwige Koning wordt verlicht. Dat ook onze moeder de Kerk zich verheuge, nu zij door de schittering van zulk een licht wordt gesierd; dat nu ook deze tempel galme van de machtige stemmen van het volk. Daarom bid ik U, zeer geliefde broeders, die hier aanwezig zijt bij de zo wondervolle luister van dit nieuwe licht, smeekt te zamen met mij de barmhartigheid van God af; opdat Hij, die mij, niet er wille van mijn verdiensten, onder het getal van de levieten heeft willen opnemen, mij de helderheid van zijn licht instorte om de lofzang op deze paaskaars te voltooien. Door onze Heer Jesus Christus, zijn Zoon, die met Hem leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen."

Er volgt nu een soort prefatie, zoals dat bij plechtige zegeningen/wijdingen gebruikelijk is:
"De Heer zij met u.
En met uw geest.
Verheft uw harten.
Wij hebben ze tot de Heer verheven.
Laat ons de Heer, onze God, danken.
Het is passend en rechtvaardig.
Waarlijk passend en rechtvaardig is het, de onzichtbare God, de almachtige Vader, en zijn eniggeboren Zoon, onze Heer Jesus Christus, met al de vurigheid van hart en geest en met luide stem te verheerlijken. Hem, die voor ons de schuld van Adam aan de eeuwige Vader heeft afbetaald en met zijn kostbaar bloed de schuldbrief van de vroegere zonde heeft uitgewist. Want dit is het paasfeest, waarop dat ware Lam wordt geslacht, met welks Bloed de deurposten van de gelovigen worden geheiligd. Dit is de nacht waarin Gij eertijds onze vaderen, de kinderen van Israël, uit Egypte hebt weggevoerd en hen droogvoets door de Rode Zee hebt laten gaan. Dit is dus de nacht die de duisternis der zonden door het licht van de kolom heeft verdreven. Dit is de nacht die heden alle gelovigen in Christus over geheel de aarde van de ondeugden der wereld en de duisternis der zonden bevrijdt en hen aan de genade teruggeeft en de heiligheid deelachtig maakt. Dit is de nacht waarin Christus de boeien van de dood verbreekt en als overwinnaar uit het dodenrijk opstaat. Het zou ons immers niet hebben gebaat geboren te zijn, wanneer wij de verlossing niet deelachtig waren geworden. O wonderbare toenadering tot ons van uw vaderlijke genegenheid! O onschatbare genegenheid van liefde: om de dienstknecht te verlossen, hebt Gij de Zoon overgeleverd! O waarlijk noodzakelijke zonde van Adam, die door de dood van Christus wordt uitgewist! O gelukkige schuld, die een zo uitzonderlijk en zo grote Verlosser heeft verdiend! O waarlijk gelukzalige nacht, die alleen getuige was van tijd en uur waarop Christus uit de doden is verrezen! Dit is de nacht waarvan geschreven staat: "De nacht zal verlicht zijn als de dag" en "de nacht zal voor mij licht zijn tot mijn vreugde". De heilige viering van deze nacht verdrijft dus alle boosheid, wist de schulden uit, geeft aan de gevallen hun onschuld weer en brengt vreugde aan de bedroefden; zij verjaagt alle haat, brengt eendracht en doet de machtigen buigen."

De diaken steekt nu de vijf wierookkorrels kruisgewijs in de paaskaars, in deze volgorde:
1
4 2 5
3

"Aanvaard dus, heilige Vader, in deze genaderijke nacht het avondoffer van deze wierook, dat de heilige Kerk brengt, nu zij U door de handen van haar dienaren deze paaskaars - het werk der bijen - aanbiedt. Maar wij hebben reeds de lof van deze kolom vernomen, die nu tot glorie van God door een stralend vuur wordt ontstoken."

Hier steekt de diaken met één van de kaarsen van de rietstok de paaskaars aan. Merk op dat in de nieuwere ritus de kaars reeds lang ontstoken is, en het daar dus eigenlijk flauwekul is om te spreken van "wordt ontstoken". Hetzelfde geldt trouwens ook voor de wierookkorrels: die worden in de nieuwe ritus ook reeds vóór het Exsultet in de kaars geprikt. De diaken zingt in de nieuwere riten dus vrolijk verder alsof er niks gebeurd is.
In de oudere ritus van vóór 1956 gaat de diaken na deze handelingen verder:

"Hoewel verdeeld, kent toch dit vuur geen vermindering bij het mededelen van zijn licht; want het wordt gevoed door het smeltend was, dat de bij als een moeder heeft voortgebracht om deze kostbare fakkel te maken."

Hier worden de lichten in de kerk weer ontstoken. In de nieuwere ritus zingt men over de verdeling van het vuur, terwijl dat reeds gebeurd is toen de diaken de paaskaars door de kerk versjouwde, en het volk zijn kaarsjes mocht ontsteken!

"O waarlijk gelukzalige nacht, die de Egyptenaren heeft beroofd en de Hebreeën verrijkt! Nacht, waarin het hemelse met het aardse, het goddelijke met het menselijke wordt verenigd. Wij bidden U dan, Heer, dat deze paaskaars, gewijd tot eer van uw naam, zonder ophouden brandt om de duisternis van deze nacht te verdrijven. En moge haar licht, in geur van welbehagen aanvaard, met de hemellichten vermengd worden. Moge de morgenster haar nog branden vinden. Ik bedoel die morgenster, die geen ondergang meer kent, die, uit het dodenrijk weergekeerd, voor het menselijk geslacht stralend is opgegaan. Wij bidden U dan, Heer, dat Gij U gewaardigt ons, uw dienaren, en geheel de geestelijkheid en het U zeer toegewijde volk in vereniging met onze heilige vader paus N. en onze bisschop N. nu een vredig bestaan te geven en hen in deze paasvreugde door uw voortdurende bescherming te leiden, te besturen en te bewaren."
Dit is het stuk waarin het woord "lucifer" in het Latijn viel. Dit woord is samengesteld uit de woorden "lux" en "fero". "Lux" is Latijn voor "licht". "Fero" is het Latijn voor ons werkwoord "dragen" of "brengen". "Lucifer" wordt dus vertaald met "licht brengend". Van oudsher is het een aanduiding die gebruikt wordt voor de planeet Venus, die ook wel Morgenster genoemd wordt. Mijn missaal kiest ervoor om hier te vertalen met "morgenster", maar "lichtbrenger" zou ook een hele goede vertaling kunnen zijn. Christus is het licht, dat de duisternis van Satan en de andere gevallen engelen verdrijft. Het is een gemeen spelletje wat er gespeeld wordt door de vijanden van de Kerk, door te spelen met woorden en ze te verdraaien. Houd altijd in gedachten, dat een woord dat zowel in het Latijn als het Nederlands voorkomt, niet in beide talen hetzelfde hoeft te betekenen. Zelfs in Nederland en Vlaanderen zijn er nog verschillen in betekenis van Nederlandstalige woorden. Een student in Nederland, die niet bij zijn ouders woont, gaat "op kamers". In Vlaanderen gebruikt men dan liever de uitdrukking "op kot gaan", want de Nederlandse uitdrukking wordt daar gebruikt om uit te drukken dat men een dame van lichte zeden bezoekt. Zo ziet men maar, dat een woord meerdere betekenissen kan hebben, en dat de context en de herkomst van de spreker veel kunnen verklaren!

Het laatste deel werd in de nieuwere riten sterk veranderd. De nieuwe staatsinrichting in Europa na de twee Wereldoorlogen gaf de hervormers de gelegenheid om de laatste verwijzingen naar het Heilige Roomse Rijk te verwijderen: de gebeden voor de keizer, die ook op Goede Vrijdag onder de slopershamers vielen. Mijn handmissaal biedt enkel het nieuwe gebed aan. Ik vertaal dus zelf het oude gebed:
"Zie ook neer op onze allerdevootste keizer*, N., van wie Gij, Heer, de wensen van het verlangen reeds kent, schenk hem, door uw onnoemelijke trouw en de gave van uw barmhartigheid, de rust van eeuwige vrede, en de hemelse glorie, samen met zijn volk. Door dezelfde Jesus Christus, uw Zoon en onze Heer, die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen."

*Als de keizer nog niet gekroond is, zegt men in plaats van "keizer", "uitverkorene" (electum).